Gaza-protesten Het hoger onderwijs moet beter opkomen voor Joodse studenten, stelde de Taskforce Antisemitismebestrijding vorige week in een rapport. Maar de taskforce neemt te weinig álle kritische studenten in bescherming, betogen vier universitaire docenten.
Protest bij UvA in Amsterdam.
— FOTO ROGER CREMERSPer 1 februari 2025 stelde de regering-Schoof een ‘Taskforce Antisemitismebestrijding’ in, kort nadat Donald Trump, aan het begin van zijn tweede termijn, een ‘Taskforce to Combat Antisemitism’ had ingesteld. De blauwdruk voor de Amerikaanse taskforce, ‘Project Esther’, was geschreven door de Heritage Foundation, de extreemrechtse ‘denktank’ die ook de blauwdruk voor Trumps tweede termijn (‘Project 2025’) geschreven had. Project Esther vindt zijn oorsprong in de MAGA-beweging en bij christelijke zionisten, zet antisemitisme in als wapen tegen critici van Israël, en is fel bekritiseerd door Joodse groeperingen en wetenschappers.
En net zoals Trump zijn tweede ambtstermijn begon met een aanval op de universiteiten en daarbij de strijd tegen vermeend antisemitisme inzette, kreeg de Nederlandse taskforce de opdracht zich primair te richten op het vermeende antisemitisme op de Nederlandse universiteiten en op de treinstations, precies de plekken waar veel protesten tegen de genocide op de Palestijnen hebben plaatsgevonden. Extreemrechts antisemitisme aanpakken, ook in Nederland zeer noodzakelijk, was zonder opgaaf van reden geen onderdeel van de taakstelling van de taskforce.
De taskforce heeft op 2 februari zijn bevindingen gepubliceerd in een rapport met als titel ‘Gevangen in vrijheden’. De titel geeft direct het frame aan: academische vrijheid en de grondrechten op vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid worden als probleem gepresenteerd. En nog meer beveiliging en bestuurlijke controle bij de universiteiten volgt dan automatisch als oplossing.
Geen van de leden was expert op het gebied van antisemitisme. Verschillende leden staan bekend om hun pro-Israëlische standpunten en/of betrokkenheid bij de pro-Israël-organisaties Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) of Centraal Joods Overleg (CJO). Kritische Joodse academici waren niet vertegenwoordigd. Het rapport bevat geen verantwoording van de werkwijze, geen verwijzing naar wetenschappelijke literatuur over antisemitisme, en het noemt de samenhang met andere vormen van racisme zoals islamofobie en anti-Palestijns racisme niet.
Het rapport eindigt met een aantal stevige aanbevelingen die ons grote zorgen baren. Universiteiten moeten volgens het rapport een „sterke vierhoek bouwen” met de politie, het Openbaar Ministerie en de burgemeester; voor beveiliging moet nog meer capaciteit worden vrijgemaakt, en universiteiten moeten „zicht krijgen en behouden op protestgroepen binnen de onderwijsinstelling”. Deze aanbevelingen moedigen praktijken aan die al eerder hebben geleid tot de inzet van (soms gewelddadig optredende) beveiligers in burger, bespieding van de activiteiten van studenten, als demonstranten verklede politie-agenten die studenten oppakken, studenten met politiehondenbeten, gebroken benen en hersenschuddingen etcetera. Reflectie op het politiegeweld tijdens de protesten ontbreekt in het rapport volledig, net als aandacht voor de fysieke en sociale onveiligheid van de vele Joodse studenten en medewerkers die hebben deelgenomen aan de protesten, om van de onveiligheid van moslimstudenten en studenten van kleur nog maar te zwijgen. Ook wordt niet onderbouwd waarom universiteiten structurele relaties met de politie zouden moeten onderhouden.
Kritische rol universiteiten
Wat ons echter het meeste zorgen baart, is dat antisemitismebestrijding in het rapport wordt misbruikt om een wig te drijven tussen de samenleving en de universiteiten als plaatsen voor kritische reflectie. Die wig was er al. Hier wordt nog meer tweespalt gezaaid: antisemitismebeleid wordt gebruikt om de aanval op de universiteiten te legitimeren, met name op hun kritische rol. En dan vooral wanneer studenten hun opleiding serieus nemen en luidruchtig tegen onze eigen betrokkenheid bij ernstig onrecht protesteren.
In het rapport wordt verwezen naar Yanki Jacobs van Chabad on Campus. Jacobs wordt vaak de ‘studentenrabbijn’ genoemd maar dit is geen officiële functie. Hij spreekt niet namens ‘de Joodse studenten’, die zoals bekend zeer verschillende visies hebben. Jacobs trok de joodse identiteit van één van onze protesterende collega’s in twijfel en draagt regelmatig bij aan activiteiten van de christelijk-zionistische organisatie Christenen voor Israël. Dit, samen met het werk van CIDI en CJO, is de context van het antisemitisme-discours in Nederland.
Er wordt overigens niet alleen een wig gedreven tussen de universiteiten en de samenleving maar ook tussen diverse groepen binnen de universiteit: enerzijds de vele studenten en medewerkers die zich verzetten tegen genocide en apartheid, en tegen fascisme in brede zin. Daar zijn, zoals al zo vaak is gezegd, ook veel Joodse en Israëlische studenten en wetenschappers bij. Daar tegenover een veel kleinere, wel kwetsbare groep van vooral Joodse maar ook christelijk-zionistische studenten en medewerkers die vaak sterk met Israël sympathiseren, en die een aantal heel nare incidenten rapporteren, maar die soms ook bang zijn voor kefiyehs en leuzen die de bezetting van Palestina en de genocide veroordelen, en dit als antisemitisme ervaren en voelen. Het rapport neemt deze duiding zonder nadere analyse over, en miskent daarmee de rol van jarenlange zionistische islamofobe en anti-Palestijnse discoursen. Het ontkent daarmee ook dat structurele ontkenning van bezetting, apartheid en genocide deze ervaring mede veroorzaakt. Het rapport stopt alle vragen hierover met de lap van mogelijk of daadwerkelijk ‘antisemitisme’, een begrip dat daardoor niet alleen z’n betekenis, maar ook z’n legitimiteit verliest. De veiligheid van deze laatste groep studenten en medewerkers is hiermee niet gediend. Maar vooral de groep van studenten (en medewerkers) die zich actief tegen de genocide verzet, wordt onveilig door de voorstellen van de taskforce. Hun vaak enorme morele en politieke inzet wordt niet gezien of erkend en in plaats daarvan ‘gegaslight’ als ‘mogelijk antisemitisch’ en als veiligheidsprobleem gestigmatiseerd.
Voor de universiteiten hebben wij ook een paar aanbevelingen. Bespioneer vooral geen wetenschappers en studenten in samenwerking met de politie, private beveiliging of zelfs veiligheidsdiensten. Streef geen versterking van de vierhoek na maar beëindig die juist. Ook inmenging in universitaire onderlinge relaties via dit soort politieke rapporten moeten de universiteiten niet eenvoudigweg ondergaan maar weerstaan. Investeer in degelijk wetenschappelijk onderzoek naar antisemitisme, islamofobie en alle andere vormen van racisme, en draag zo veel mogelijk bij aan de publieke kennis hierover. Bescherm de academische vrijheid, een centrale pijler van universiteiten en liberale democratieën. En, het allerbelangrijkst, erken juist de kritische bijdrage die studenten en wetenschappers leveren, ga achter hen staan en neem de universitaire zorgplicht ten aanzien van álle studenten serieus.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.