zaterdag 29 november 2025

De rationaliteit ontmanteld

 



Het redelijke midden

De rationaliteit ontmanteld

Problemen kunnen opgelost worden als iedereen maar ‘redelijk’ wordt, aldus de partijen die zichzelf graag onder het ‘midden’ scharen. Is dat wel zo? In het recent verschenen The Revolution to Come ontwart historicus Dan Edelstein de wortels van het denken over het midden.
Thomas Muntz beeld Pepijn Zurburg

– verschenen in nr. 43-44
Leeslijst
Het hing in de lucht. Na een kabinet dat er bijna een jaar over deed om te formeren, en dat vervolgens nog een jaar lang ruziënd door het leven ging, was het tijd om in te grijpen. ‘De politiek heeft een beetje guidance nodig’, in de woorden van Simon Neefjes, oud-CEO van een reclamebureau en thans investeerder. Afgelopen juli – het kabinet was toen pas één keer gevallen – lanceerde Neefjes samen met mediatycoon Willem Sijthoff en nog twee vooraanstaande ondernemers het initiatief Stem voor Stabiliteit. Het doel van Sijthoff en Neefjes was een meerderheid te bewerkstelligen voor CDA, VVD en D66. De ondernemers wilden geld ophalen om via reclamespotjes en mediaoptredens een centrum-rechts kabinet in het zadel te helpen.
Enkele weken eerder had oud-VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff zijn actiegroep Voor Ons Nederland gepresenteerd. Net als Stem voor Stabiliteit wil Voor Ons Nederland de politiek van buitenaf bijsturen en een ruk naar het politieke midden forceren. Dijkhoffs actiegroep probeert burgers wijzer te maken over de trucjes van populisten en anderzijds willen ze ‘de stille meerderheid een megafoon’ geven. Dijkhoff en mede-initiatiefnemer Mark Thiessen willen de politiek terugbrengen naar het ‘milde midden’. Volgens het manifest van Neefjes en Sijthoff ‘ligt de waarheid in het midden’. Daar moet de toekomst van de politiek en het antwoord op radicaal-rechts gezocht worden.
Het politieke ideaal van het midden is intuïtief goed te begrijpen. Een midden is stabiel, een rustpunt, in tegenstelling tot de uitersten die maar heen en weer zwiepen, en stabiliteit is wat we allemaal verlangen van een politiek regime. Millennia lang, en dwars door alle culturen heen, wordt fysieke gezondheid ook gedefinieerd als een ‘midden’ van yin en yang (koele en hete energie), van de vier ‘humoren’ en tegenwoordig tussen werk en privé, te veel eten en te veel sporten, rust en inspanning. Het is niet vreemd dat wanneer mensen filosoferen over the body politic ze op een vergelijkbare theorie uitkomen.
Maar het is typisch aan de politieke vertogen van de afgelopen jaren dat er meer in het politieke midden gezocht wordt dan alleen stabiliteit. Het politieke midden zou niet alleen ‘mild’ zijn, maar ook en vooral ‘redelijk’. Het idee dat een meerderheid van de stemmers eigenlijk in het midden zit, maar dit nog moet beseffen, leeft steeds meer.
In het onlangs verschenen The Revolution to Come presenteert de Amerikaanse politiek historicus Dan Edelstein een nieuwe genealogie van het denken over revoluties, politieke verandering en geschiedenis. Hierin ontwart hij de politiek- filosofische wortels van het denken over middens, stabiliteit, redelijkheid en rationele consensus. Hij toont aan dat het denken in termen van ‘politiek van het midden’ uit een heel andere bron voortkomt dan de traditie die van de rede en rationaliteit het leidend principe voor politiek en politieke filosofie maakt. Bovendien laat hij zien dat deze twee manieren van denken nogal eens haaks op elkaar staan.
Edelstein begint bij Aristoteles’ idee van een ideale stad, of polis, die gebaseerd was op een midden. Beroemd is zijn theorie over wat een ‘deugd’ is, namelijk: het midden tussen twee zonden. Zo houdt de deugd ‘moed’ het midden tussen een overdaad aan moed – dat noemen we ‘roekeloosheid’ – en een te weinig aan moed, wat we dan ‘lafheid’ noemen.
Zijn opvatting over een ideale constitutie voor de stad was een stuk subtieler. Die ging uit van twee zaken. Eén: iedere stad zal altijd armen en rijken hebben, en die twee groepen hebben fundamenteel verschillende ervaringen en willen fundamenteel verschillende dingen. En twee: de spanning tussen de twee groepen zorgde ervoor dat steden regelmatig wisselden van regime. Zo kon een stad beginnen als een aristocratie waar de beste en meest voorname patriciërs de dienst uitmaakten, maar al gauw wilden ze hun welvaart beschermen tegen de armen en vormden ze zo een oligarchie, waartegen een democratische opstand uitbrak die na verloop van tijd verviel in anarchie. Waarna de roep om een sterke man ontstond die monarchisch heerste, maar waar altijd het risico bestond dat zijn heerschappij uitmondde in despotisme. Wat hem uiteindelijk in conflict bracht met de rijke families die dan weer de macht in handen namen etcetera etcetera.
De ideale constitutie, redeneerde Aristoteles, en zo betoogde ook de Griek die de Romeinse republiek bestudeerde, Polybius, betekent ‘een midden’ dat armen en rijken, en monarchische, aristocratische en democratische bestuurselementen met elkaar in balans brengt. Zo zijn er boeken volgeschreven over hoe een bepaalde raad van oudsten in Sparta of de Romeinse Senaat een gematigde aristocratische rol vervulde. Maar er ligt een belangrijker punt onder, laat historicus Edelstein zien: voor de klassieke denkers was het volslagen helder dat een ‘ongemengd regime’ ieder moment kon vervallen in een soort gemuteerde schaduwkant van zichzelf: een aristocratie wordt dan een oligarchie, een monarchie een tirannie.
We zien het momenteel voor onze ogen gebeuren in de Verenigde Staten. De Republikeinse politici, rechters en ‘denktankers’ die decennia lang volhielden dat de Amerikaanse grondwet aanstuurt op een ongehinderde en sterke rol voor de president, betonen zich nu gewillige instrumenten van een openlijk despotisch regime. Een regime dat helemaal niets meer met diezelfde grondwet te maken heeft.
De conclusie van Aristoteles en Polybius was: er is maar één manier om een stabiel midden te vinden en dat is door alle verschillende regimes van monarchie, aristocratie, democratie, en tendensen – hebzucht, afgunst, chauvinisme én barmhartigheid – te kanaliseren en te zorgen dat ze elkaar in balans houden.
Het interessante is dat deze antieke ideeën een notie bevatten van wat we later ‘pluralisme’ zijn gaan noemen. Pluralisme is een merkwaardig concept, tegenwoordig is het volgens veel mensen een ideaal; iedere zichzelf respecterende democraat heeft een pluralistische samenleving en een meerstemmige politiek hoog in het vaandel. Tegelijkertijd is de concrete, dagelijkse ervaring van pluralisme nooit aangenaam. Wanneer je weer een SGP’er hoort brommen over de positie van de vrouw, is dat moeilijk te verteren. Het blijft een onaangename realisatie dat ze echt menen wat ze zeggen over abortus bij de ChristenUnie.
Pluralisme in de politiek levert zelden een eenduidige ervaring van ‘verrijking’ op. Daarom is het beeld van de publieke discussie als een ‘marktplaats van ideeën’ ook zo’n belabberde metafoor. Op een marktplaats is iedere nieuwe kraam, met een exotischer aanbod, of juist weer een kraam vol vergeten groentes, inderdaad een verrijking. Maar je kunt die kraam ook negeren en doorlopen. In de politieke arena leidt het aanschuiven van iedere nieuwe groep tot nog meer frictie, nog meer discussie, moeizame vergaderingen en stemmingen, en misschien zelfs tot coalities die je van tevoren niet zag aankomen en die je ook uitermate onwenselijk vindt. Maar dat is wel wat politiek is.
Pluralisme is niet zozeer een ideaal om na te streven, als wel een conditio sine qua non. Zónder pluralisme, zonder mensen die het met elkaar oneens zijn en die elkaars ideeën zelfs abject vinden, kun je überhaupt geen politiek bedrijven. Politiek begint pas wanneer mensen het hartgrondig met elkaar oneens zijn. Anders gezegd: er is geen politiek zonder politiek conflict.
Precies daar zit het probleem met de eis van ‘redelijkheid’ in de politiek. Rationaliteit, in de zin van more geometrico: beginnend bij axioma’s en vanuit daar consequent doorredenerend, komt de geschiedenis van de politieke filosofie pas binnen met het werk van de Britse Thomas Hobbes (1588-1679) en vervolgens met de ideeën van de Nederlandse Baruch Spinoza (1632-1677).
Beide denkers beginnen hun project met een conceptie van de mens als een individu dat per slot van rekening, en op het meest fundamentele niveau, gedreven is door een vorm van zelfbehoud. Het is de rol van de staat om individuen tegen elkaar te beschermen, en zo een vorm van veiligheid en orde te handhaven. Er zijn veel verschillen aan te wijzen tussen Hobbes’ werk Leviathan en Spinoza’s Theologisch-politiek traktaat, maar wat opmerkelijk is, is dat ze tot dezelfde conclusie komen over religieuze tolerantie (de belangrijkste politieke kwestie van hun tijd). Die conclusie is: religieus pluralisme kun je maar beter kwijt zijn.
Beiden pleiten ervoor dat de staat mag beslissen wat een toelaatbare religieuze uiting is. Dat is volkomen rationeel: het doel van de staat is immers veiligheid, daarvoor is orde nodig, orde moet blijvend zijn, dus heb je een ‘soeverein’ nodig die de volledige orde handhaaft. Een stel kerken of synagogen die er hun eigen waardesystemen op na houden, dat geeft alleen maar gedonder. Maar dan zeg je dus wel dat de religieuze beleving van mensen niet van wezenlijk belang is voor de politiek, dat het in feite een ‘oppervlakteverschijnsel’ is dat ook wel even ‘weg-gemanaged’ kan worden door de staat.
In zijn boek laat historicus Edelstein zien hoe een volledig verlichte, rationele politiek uiteindelijk een utopisch ideaal wordt van de Franse philosophes. De problematische kant daarvan kun je terugvinden in het werk van Voltaire, die aanvankelijk zijn hoop voor een verlicht en rationeel Westen vestigde op absolutistische heersers als Catharina de Grote van Rusland en Gustaaf III van Zweden. Andere verlichtingsdenkers fantaseerden openlijk over toekomstige sterke monarchen die bijvoorbeeld een einde zouden maken aan het christendom.
Het punt is dit: al die denkers die uitgaan van pure rationaliteit in de politiek hadden niet toevallig een hang naar alleenheersers. Wanneer de ultieme macht uiteindelijk bij één iemand ligt, dan hoeft alleen hij of zij nog rationele keuzes te maken. Zo kunnen staat en samenleving rationeel vervolmaakt worden.
Later zou deze zuivere politieke rationaliteit gestalte krijgen in de Franse, Russische en Chinese revoluties: een rechtvaardige toekomst is mogelijk, dachten de revolutionairen, mits we nu zuiver alle consequenties van de revolutie doortrekken. Hetgeen er steeds in resulteerde dat vijanden van de revolutie uit de weg geruimd werden.
Met andere woorden: de traditie van rationaliteit in de politiek staat op nogal gespannen voet met pluralisme.
Enkele problematische elementen uit deze traditie van rationaliteit in de politiek spoken ook vandaag nog rond. Te beginnen met de vraag: als je jezelf kroont tot de redelijke partij, wat zijn je tegenstanders dan? Zijn die dan irrationeel? En als rationaliteit leidend is voor de politiek, hebben die tegenstanders dan überhaupt nog wel een rol in de politiek?
Deze vragen zijn een probleem voor een ieder die zichzelf vooral redelijk vindt en die vanuit rationaliteit de politieke strijd aan wil gaan. Niemand stelt die vragen expliciet, en al helemaal niemand is bereid om politieke tegenstanders die zich irrationeel opstellen naar de guillotine te begeleiden. Maar de ‘wie-irrationeel-is-is-af-logica’ speelde de afgelopen decennia een belangrijke rol in de – gefaalde – aanpak van en kritiek op radicaal-rechts.
Je ziet het met name terug in politieke satire en scherpe columnistiek, ooit begonnen bij The Daily Show in de VS, waar de presentator laat zien dat radicaal-rechtse politici zichzelf tegenspreken. Ja, je hebt hiermee aangetoond dat de politieke tegenstander niet zuiver redeneert, en dan? De kritiek blijft dan hangen bij deze ‘onthulling’ van de irrationaliteit van de tegenstander. Alsof daarmee het electoraat eindelijk tot inzicht zal komen.
Verwant hieraan is ook de veelgehoorde kritiek op PVV-stemmers die tegen hun eigen belang zouden stemmen. Ook hier is weer de implicatie: de tegenstander is niet rationeel. Maar wat dat precies betekent wordt nooit duidelijk. En dat er talloze stemmers zijn die tegen hun eigen belang stemmen, bijvoorbeeld mensen die net een huis hebben gekocht en straks voor afschaffing van de hypotheekrenteaftrek stemmen, wordt altijd makkelijk vergeten. De grootste valkuil van deze manier van denken over politiek is de stille aanname dat alle verschillen, of die nou religieus of ideologisch of cultureel zijn, in wezen oppervlakteverschijnselen zijn. Wat telt is wat daaronder ligt: de menselijke redelijkheid.
Dat de geschiedenis vooruit beweegt omdat steeds meer mensen hun redelijke aard ontdekken en zich ontdoen van bijgeloof of andere kleine verschillen, wordt nog dikwijls verkondigd als een vorm van optimisme en hoop. We zijn slechts een kleine ontwaking verwijderd van het vinden van onze gedeelde, rationele aard, en vrede, overvloed en rechtvaardigheid zijn dan binnen handbereik.
Hedendaagse politici van het ‘redelijke midden’ zijn in de praktijk niets meer dan managers die opereren in de veronderstelling dat iedere misstand eigenlijk een misverstand is. Dat een verschil van inzicht altijd ‘opgelost’ kan worden wanneer beide partijen redelijk worden. En dat ieder probleem zo gemakkelijk ‘rechtgezet’ kan worden. Bij voorkeur in beleid en met extra regels.
Terwijl steeds meer radicaal-rechtse ‘sterke mannen’ beloven de kettingzaag te zetten in ‘de overheid’, zijn de middenpartijen in het Westen zich meer gaan identificeren met de instituties en beleidsmatige logica van de staat. Een staat die ieder maatschappelijk probleem vooral beschouwt als een hapering van de eigen machine. Die iedere misstand, of dat nu het toeslagenschandaal, de implosie van de Nederlandse economie na de hypotheekcrisis in de VS of voortdurende chaos bij het UWV is, benadert als een kwestie van het ‘rechttrekken van het beleid’.
Je zou het experiment dat NSC was, kunnen zien als een waarschuwing voor iedere politiek van strikt beleidsmatige en procedurele rationaliteit. Een partij van pure procesmanagers, die monter met twintig man de Kamer betrad, een puinhoop achterliet en daarna naar nul zetels in de peilingen zakte. De ondergang van NSC zat onder meer in een fundamenteel misverstand met zijn kiezers, die dachten dat NSC het aantal asielmigranten naar beneden zou brengen, terwijl NSC vooral de formele zeggenschap van Nederland over wie er binnenkomt wilde borgen. De stemmers dachten dat NSC een substantieel verschil zou maken in hun leven, terwijl NSC altijd alleen maar uit was op een procedurele ingreep in het bestuur.
In de pers lieten partijleden zich er ook nooit op voorstaan concrete doelen te hebben binnengesleept. Het ging altijd over ‘procedurele hygiëne’. Ze hadden Wilders maar mooi aan een rechtsstaatverklaring geketend. Of zoals indertijd demissionair minister van Binnenlandse Zaken Judith Uitermark het verwoordde in een interview met het Algemeen Dagblad: ‘Laatst zei iemand dat NSC de vangrail was van dit kabinet. We zijn er weliswaar beschadigd uitgekomen. Maar hoe fijn is het om een vangrail te hebben? Ik ben echt trots op wat we hebben neergezet.’
Daarin ligt de kwetsbaarheid van het redelijke midden als antwoord op radicaal-rechts. Het risico voor een eventueel aanstaand kabinet van het redelijke midden is dat het zijn missie, na lang onderhandelen, uiteindelijk invult als het brengen van wat tegenwoordig ‘procedurele rechtvaardigheid’ wordt genoemd. Je hoort die term steeds vaker onder beleidsmedewerkers en adviseurs. Het is een opvatting van rechtvaardigheid die typisch ontsproten is aan de moderne rede; procedurele rechtvaardigheid stelt dat een rechtvaardige uitkomst alleen het resultaat kan zijn van een rechtvaardig proces. We moeten, dus, zorgen dat alle stappen goed geregeld zijn.
Dit is goed te begrijpen, en bovendien is het ook belangrijk. Maar dit is ook, en eigenlijk vooral, de rechtvaardigheid van vve’s en vergunningsaanvragen. Bestuurders die hameren op procedurele rechtvaardigheid willen nog weleens uit het oog verliezen dat procedurele rechtvaardigheid een tegenhanger heeft, namelijk ‘substantiële rechtvaardigheid’. Dat wil zeggen: een eerlijk proces kan nog steeds een onwenselijke, onwerkbare uitkomst hebben en die kun je alleen maar concreet, substantieel rechtzetten.
Procedurele rechtvaardigheid is een eerlijke volgorde hanteren voor de wachtlijst van bedrijven die aangesloten willen worden op het stroomnet. Substantiële rechtvaardigheid is dat je zorgt dat iedereen als de wiedeweerga kan worden aangesloten. Mensen wier kinderen niet uit huis kunnen omdat er geen nieuwe huizen in de gemeente zijn of wier nettoloon nog nooit de stijging van de vaste lasten heeft kunnen bijbenen, ervaren ‘procedurele rechtvaardigheid’ in het allerbeste geval als een schrale troost en in het slechtste geval als een fluim in het gezicht.
Wat op de loer ligt is het Italiaanse model: na een opmerkelijk lange kabinetsperiode van de uiterst redelijke Mario Draghi, zit de radicaal-rechtse populist Giorgia Meloni al jaren stevig in het zadel. Hetzelfde dreigt te gebeuren in Frankrijk en het VK. Het is een trend in het hele Westen: de klasse voor wie de instituties nog wel werken, blijft geduldig sleutelen aan de interne rationaliteit daarvan zonder dat het concrete verandering bewerkstelligt. Net zo lang tot de instituties voor zoveel mensen niet meer werken dat een ressentimentvolle meerderheid het roer overneemt.
Het politieke midden kan blijven bestaan als het zichzelf ziet als een balanceeract van verschillende groepen die allemaal een concreet resultaat moeten waarnemen. Neem de les mee uit de oudheid: politiek begint niet bij rationaliteit, politiek begint bij een veelheid aan ervaringen en belevingen. Burgers willen niet beter begrijpen waarom ze ergens te kort aan hebben, burgers willen verschil ervaren in hun leven. Die wens kun je wegredeneren, of je kunt bedroefd verzuchten dat ‘ze het nog steeds niet begrijpen’. Daarmee zet je echter niet de burger en wel jezelf buiten spel.

Een powermove van jewelste: eigenhandig verschuift Dilan Yesilgöz het midden van de politiek

 




COLUMN


Een powermove van jewelste: eigenhandig verschuift Dilan Yesilgöz het midden van de politiek

De afgelopen maanden was ik wegens ziekte vaak met andere dingen bezig, maar het nieuws, en met name het politieke nieuws, wist toch telkens mijn gezichtsveld binnen te sluipen. Wat mij sinds de verkiezingen het meest fascineert is het getouwtrek om ‘het midden’: dat zou terug zijn, of juist onder druk staan. Bovendien was er onenigheid over wat het midden ís.
Zijn VVD en GroenLinks-PvdA middenpartijen? Deze kwestie kan ik makkelijk oplossen: volgens mij zijn er twee definities. Onder de ruime definitie vallen alle partijen die de rechtsstaat respecteren en bereid zijn te regeren. Van oudsher omvat dit alles van PvdA tot en met VVD. GroenLinks heeft nooit geregeerd, maar gezien de ambitie van GroenLinks-PvdA om dit wél te doen, en om een brede linkse partij te zijn, zou ik ook de fusiepartij een middenpartij noemen.
Dan is er de smalle definitie, volgens welke een middenpartij letterlijk een middenpositie inneemt tussen links en rechts. In deze definitie zijn alleen D66, CDA en ChristenUnie middenpartijen – en, vooruit, 50Plus. Onder Sybrand Buma en Wopke Hoekstra was het CDA zelfs ronduit rechts, maar Henri Bontenbal heeft het teruggebracht naar het midden.
Nog een onenigheid betrof het etiket voor mogelijke kabinetten. Sommige duiders, denk aan Telegraaf-columnisten Ronald Plasterk en Afshin Ellian, noemen een coalitie van GroenLinks-PvdA, D66, CDA en VVD ‘centrumlinks’. De gedachte erachter is simpel: D66, CDA en VVD zijn midden, en GroenLinks-PvdA links. Maar dit klopt niet. Als je GroenLinks-PvdA links noemt, dan is de VVD rechts. D66 is midden, hangend naar links; CDA is midden, hangend naar rechts. Dit kabinet zou een ode zijn aan de symmetrie. Toch noemt ook de VVD zelf, in een stuk vorige maand op de eigen website, een kabinet van de vier grote middenpartijen „een links kabinet”.
Nog zo’n kwestie: Dilan Yesilgöz blijft steevast verwijzen naar haar lievelingscombinatie (D66, CDA, VVD, JA21, mogelijk nog BBB) als ‘centrumrechts’. Ik zou dit eerder een rechtse coalitie noemen. De VVD, een rechtse partij, neemt hier immers een middenpositie in tussen enerzijds D66 en CDA en anderzijds het radicaal-rechtse JA21, en mogelijk BBB. Ik snap Yesilgöz’ voorkeur voor de term centrumrechts: die ademt redelijkheid en stabiliteit. Maar voor media is dat geen reden die framing over te nemen – wat ze wel doen.
Er zijn ook mensen die vinden dat Yesilgöz’ voorkeurscombinatie centrumrechts is, en de andere optie centrumlinks, omdat ze zich op die manier verhouden tot de kiezers. Die zijn immers naar rechts opgeschoven, wat een middenkabinet relatief links maakt. Maar dit is niet hoe politieke etiketten werken. Op deze manier zou, in een land met overwegend extreemrechtse kiezers, een extreemrechts kabinet een ‘middenkabinet’ heten. Maar termen als links en rechts zijn niet relatief: ze hebben een inhoudelijke betekenis. Een kabinet van GroenLinks-PvdA, D66, CDA en VVD mag dan links zijn ten opzichte van de bevolking, het zal geen typisch links beleid maken. Daar zou de VVD immers nooit aan meedoen.
Wie bepaalt waar het midden ligt, beslist wat normaal is en wat abnormaal
Maakt het uit, deze definitiestrijd? Ja, want wie bepaalt waar het midden ligt, beslist wat normaal is en wat abnormaal. Het fanatiekst hierin is Yesilgöz, die al ver voor de verkiezingen verkondigde dat GroenLinks-PvdA „uit het midden van de Nederlandse politiek gerukt” was. Ter illustratie noemde ze de vernielingen op campussen en steun voor Hamas, beide geenszins de GroenLinks-PvdA-partijlijn. Verder bleef het bij vage kreten als: „Er wordt geëist dat gewone, hardwerkende Nederlanders hun leven aanpassen naar hoe de radicalen het willen.”
Al dan niet bewust volgde Yesilgöz hier de strategie van radicaal- en extreemrechtse politici in verschillende landen om heel links tot radicaal te bestempelen.

Alternative für Deutschland doet dit expliciet, zo schreef correspondent Nynke van Verschuer onlangs in NRC over een document waarin de partij haar strategie beschreef. „De AfD probeert een wig te drijven tussen de middenpartijen SPD en CDU/CSU, die samen de regering vormen. Daartoe moet de AfD de SPD consequent als radicaal-links afschilderen, volgens de strategie, zodat kiezers van CDU/CSU aan de samenwerking gaan twijfelen. Doel is dat de CDU/CSU niet anders kan dan met de AfD in zee gaan.”               
Iets soortgelijks doet Yesilgöz, maar dan met haar eigen kiezers als publiek. Ze hitst ze als het ware op tegen links, om die afkeer vervolgens in te zetten in de formatieonderhandelingen: ‘Ik kan samenwerking met links niet aan mijn kiezers verkopen.’ Het is een powermove van jewelste: eigenhandig verschuift Yesilgöz het midden van de politiek. Dat daarbij het een en ander sneuvelt – de reputatie van een mede-middenpartij, het belang van rationele argumenten, een sterke onderhandelingspositie in de gesprekken met JA21 – neemt ze op de koop toe, of vindt ze überhaupt niet erg. Het is een roekeloze strategie die, in de brede definitie, niet past bij een middenpartij.

woensdag 26 november 2025

‘Zionists play all sides’: Pro-Israel influence spans Britain’s politics, says expert






 

‘Zionists play all sides’: Pro-Israel influence spans Britain’s politics, says expert

Analyst says pro-Israel groups are cultivating links with European far-right parties campaigning on anti-migrant and anti-Muslim rhetoric that often fuels domestic unrest

Aysu Bicer  |18.11.2025 - Update : 18.11.2025
‘Zionists play all sides’: Pro-Israel influence spans Britain’s politics, says expert

  • 'Zionists play all sides of every political equation, so it’s not just the far right ... All the mainstream parties in the UK are pro-Zionists,’ claims British sociologist David Miller
  • ‘What they’re doing is trying to play off their assets against one another … That’s why you see them trying to get a Reform government into place, because they realize that Reform will be even more racist against Muslims than the current Labour government,’ says Miller

LONDON

Israel’s invitation of British far-right figure Tommy Robinson, long known for anti-Muslim activism and street mobilization in the UK, has triggered fierce backlash in Britain and renewed scrutiny of growing ties between Israel’s right-wing government and European far-right movements.

Analysts say Robinson’s trip – and the politics surrounding it – reflect a deeper ideological convergence that is reshaping alliances across Europe.

Robinson, founder of the English Defense League, traveled to Israel in October at the invitation of Diaspora Affairs Minister Amichai Chikli of Prime Minister Benjamin Netanyahu’s Likud party.

The visit was immediately condemned by major British Jewish organizations, including the UK’s Board of Deputies of British Jews and the Jewish Leadership Council, who issued a joint statement calling Robinson “a thug who represents the very worst of Britain.”

In a video posted from Ben Gurion Airport, Robinson claimed he was “here to show solidarity with the Jewish people and the Israeli people,” describing Israel as “a beacon of freedom and democracy … and all the places surrounding this are human rights violations (sic), terror states and jihad states.”

His appearance, analysts say, highlights a broader pattern: Israel’s far-right leadership cultivating links with European far-right parties, even as these groups campaign on anti-migrant, anti-Muslim rhetoric that often fuels domestic unrest.

Robinson’s visit came amid months of anti-migrant protests in the UK, where far-right groups rallied outside hotels housing asylum seekers and mobilized street demonstrations. At a recent “Unite the Kingdom” rally in London, speakers declared that “Islam has no place in Europe,” while witnesses reported Israeli flags among crowds “hurling obscene anti-Palestinian abuse” at counter-protesters.

For David Miller, a British sociologist known for his work on Islamophobia and propaganda, Robinson’s rise – and the violent scenes that shook the UK this summer – are no coincidence.

Miller argues that the nearly week-long riots in several UK cities this summer fit into a longer trajectory in which “pro-Israel lobby groups” have played a role in elevating Robinson and other far-right figures to redirect social and economic grievances toward Muslims.

According to Miller, this alignment has been driven by “financial backing and political support from pro-Israel networks based mainly in Tel Aviv and the US,” aimed at channeling working-class anger toward Muslim immigrants while reinforcing support for Western and Israeli military agendas.

‘Zionists play all sides’

Miller said the relationship between Robinson and figures within the Israeli establishment reflects a strategic repositioning.

“We make a mistake if we think that the Zionists, or right-wing Zionists, have links with the so-called far right in the UK or in Europe,” he said.

“Actually, the Zionists play all sides of every political equation, so it’s not just the far right ... All the mainstream parties in the UK are pro-Zionists.”

He emphasized that many key figures in these parties or groups receive “thousands, sometimes millions, of pounds of funding from the Zionist movement.”

Miller described this as “an attempt to colonize and occupy the whole political, administrative hierarchy and functions of the UK state, as they are doing in other countries as well.”

For Miller, the traditional notion of a separate neo-fascist far right no longer applies.

“There isn’t a far right that is just one block. What we used to refer to as neo-fascist or neo-Nazi, that has gone. And the reason it’s gone is that the Zionists have co-opted most of the far right,” he said.

“Most of the organizations to the right of the Conservative Party – for example, UKIP, Reform UK, Tommy Robinson and his collection of people coming out of the English Defense League – all of these are organizations which are assets and agents of the Zionist colony in Palestine.”

‘They realize their propaganda isn’t working’

Miller traces this political realignment back to the late 2000s.

“It was around 2009-2010 that … American Zionists came over to the UK and to the rest of Western Europe to convince people who were then on the far right that they should abandon their Judeo-skepticism and change their politics, so that their main focus of racism and campaigning was Islam and Muslims,” he said.

“They created something which called itself the ‘counter-jihad movement,’” he said, describing networks spanning Denmark, Belgium, the Netherlands, and the UK, organized under “counter-jihad Europe” and linked to a US-based global coordination body.

“That’s grown since then into an international network, and that, of course, is funded in large part by the Zionist movement – not necessarily by the Zionist state itself – but by the movement.”

Miller argues that this influence extends across the UK’s political spectrum, claiming that beneficiaries of this funding include parties from Labour to Nigel Farage’s Reform UK party.

“What they’re doing is trying to play off their assets against one another … That’s why you see them trying to get a Reform government into place, because they realize that the Reform government will be even more racist against Muslims than the current Labour government.”

He suggested that Reform UK could even emerge as the next government unless a strong left-wing alternative takes shape.

Under Netanyahu, Israel has sought closer ties with European nationalist governments – from Viktor Orban’s Hungary to Giorgia Meloni’s Italy – as part of a shift analysts say reflects a fusion of Zionist and Islamophobic movements – once seen as opposing forces.

“Nobody likes Israel anymore across the whole world, so they realize their propaganda isn’t working, and that the only thing which does work, according to their polling, is anti-Muslim hatred,” said Miller.

“That’s why they’re pivoting towards anti-Muslim hatred as a key note in current and contemporary Zionist propaganda.”

https://www.aa.com.tr/en/world/-zionists-play-all-sides-pro-israel-influence-spans-britain-s-politics-says-expert/3747191#

JD Vance might want to run in 2028 – but does he have a Palantir-shaped problem? Arwa Mahdawi

 





Opinion

JD Vance might want to run in 2028 – but does he have a Palantir-shaped problem?

Arwa Mahdawi
The VP wouldn’t be where he is today without the patronage of the Palantir co-founder Peter Thiel. But with voters becoming more and more concerned about the firm’s surveillance tech, could that relationship affect his chances?
The US is the land of the free and the home of the world’s most expensive, and most excruciatingly drawn-out, elections. In most democracies, the election cycle lasts just a few weeks or months. In most democracies there are strict laws regulating how long politicians can campaign, and how much money political parties can accept. But the US is not most democracies.
Which is why, despite the fact we’re not even a full year into Trump 2.0, there’s already chatter about 2028. Assuming Donald Trump doesn’t find some sort of legal loophole that lets him run again (not unthinkable!), JD Vance is widely seen as his heir apparent, with Trump saying a presidential ticket with Vance and secretary of state Marco Rubio would be “unstoppable”. Meanwhile, Rubio, it was recently reported, is telling his inner circle he’d support Vance for president.
In his role as vice-president, Vance is already under constant scrutiny. But, as 2028 approaches, he will be put under the microscope. And if he wants to get the top job there are a few liabilities that he should probably sort out.
His personality is one of them: Vance can come off as smug and obnoxious. But that’s something he can work on. This is a man, after all, who has changed his name many times; a former atheist who converted to Catholicism in 2019, a few years before running for political office. A man who once called Donald Trump “America’s Hitler” and now calls him boss. Vance is adept at shape-shifting.
A liability that might be rather harder to shake off, however, is his ties to the shadowy $450bn technology company Palantir. Vance would not be where he is today were it not for the mentorship of Peter Thiel, the company’s billionaire co-founder. Thiel encouraged the hiring of Vance at his investment firm Mithril Capital in 2016, then spent $15m on Vance’s senate campaign. Some people see Vance as a sort of avatar for Thiel in the White House. Which is worrying because Thiel has said he doesn’t “believe that freedom and democracy are compatible”.
It’s hard to explain exactly what Thiel’s firm does in non-buzzwordy language, but here are a few examples. The company has a multimillion-dollar contract with US Immigration and Customs Enforcement to help improve “deportation logistics”, and has been building an “ImmigrationOS” that, according to a contract seen by Business Insider, will include “near real-time visibility into instances of self-deportation”. Palantir, which has been called “the AI arms dealer of the 21st century”, also works very closely with Israel’s military. A June report from the UN special rapporteur Francesca Albanese says there are “reasonable grounds to believe Palantir has provided automatic predictive policing technology” to Israel – which is as dystopian as it sounds – as well as “core defence infrastructure”. When the Palantir co-founder Alex Karp was heckled by a pro-Palestine protester in May and accused of killing Palestinians, he shrugged it off with: “Mostly terrorists, that’s true.”
Many potential Vance voters don’t give a damn about Palestinians. But they are suspicious of big tech and the surveillance state – and they are very wary of the Trump administration’s deepening ties to Palantir. The podcast bros who helped get out the vote for Trump in 2024, for example, have repeatedly voiced concerns about the company. On a 9 September episode of his podcast Joe Rogan referenced an article from the financial news site Benzinga about the Trump administration employing Palantir to gather the “personal data of American citizens” and called it “kinda creepy”. Rogan went on to quote the article’s comments about Palantir creating “detailed profiles of American citizens” and asked, alarmed: “Who signed off on this?” Over a dozen other rightwing influencers, including Tucker Carlson, have worried aloud about Palantir’s capabilities and its objectives for the US.
All this is a big problem for Vance because, as he recently acknowledged while speaking to university students: “I get asked about Palantir a lot because there’s this internet meme out there that somehow I am super in bed with Palantir.” Meme or not, it’s hard to ignore the links between the two, which are, increasingly, generating headlines. You’ve made your bed, Vance; now you’ve got to lie in it.
 Arwa Mahdawi is a Guardian columnist