zondag 29 maart 2026

100 jaar geleden reisde Johan Huizinga naar de VS: zijn inzichten van toen zijn nog altijd griezelig actueel

 









100 jaar geleden reisde Johan Huizinga naar de VS: zijn inzichten van toen zijn nog altijd griezelig actueel

Tessa Biemans
Precies honderd jaar geleden vertrok de grootste historicus van Nederland, Johan Huizinga, naar de VS. Wat hij daar zag, goed en slecht, zie je vandaag nog steeds, merkt Frits van Oostrom.
Dit artikel is geschreven door
W
e schrijven april 1917. Johan Huizinga brengt de paasvakantie door op Toornvliet te Middelburg.
De eerste keer dat hij dat landgoed had bezocht was vijfentwintig jaar tevoren. Bij die gelegenheid had de toen 20-jarige Johan de dochter des huizes leren kennen: Mary Vincentia Schorer, 15 jaar oud. Ze speelde lieflijk piano en had een fijne deftigheid.
In maart 1902 zouden ze trouwen. In juni van dat jaar reisde het jonge paar van Middelburg naar Brugge, waar zij de groots opgezette tentoonstelling van Vlaamse Primitieven bezochten die de kiem zou leggen voor Huizinga’s meesterwerk, Herfsttij der Middeleeuwen.
Nu, vijftien jaar later, naderde dit meesterwerk zijn voltooiing.
Huizinga was al die jaren op Toornvliet blijven komen. Ook na het drama van 21 juli 1914, toen Mary na een wreed proces van borstkanker was overleden. Het maakte Huizinga op zijn 41ste tot weduwnaar, met vijf kinderen van tussen de 2 en 11.
Bron 
Joost Stokhof
Volgens zoon Leonard was Toornvliet ‘mijn vader boven alles dierbaar’. Leonard herinnerde zich zijn vader ‘met hoge hoed en zweep de circusdirecteur spelen voor ons kinderen die in de hal als brullende leeuwen of lastige paarden om hem heen draafden. (…) Ik zie hem alleen maar vrolijk: met moeder en ons in de bloeiende tuin’.
Het was op Toornvliet, op 6 april 1917, dat Huizinga hoorde dat Amerika Duitsland de oorlog verklaarde. Nederland was weliswaar neutraal, maar daarmee nog niet onverschillig, en Huizinga wel allerminst. In het besef dat er nu werkelijk een wereldoorlog aanbrak, besloot Huizinga het volgende collegejaar zijn Leidse collegeserie aan Amerika te wijden.
Als motto formuleerde hij: ‘Juist nu niets belangrijker dan Amerika. (…) En wat weten wij ervan?’
Het moeten maanden zijn geworden waarin Huizinga bijna in twee werelden verkeerde: Herfsttij voltooiend over laatmiddeleeuws Bourgondië, en tegelijkertijd colleges voorbereidend over modern Amerika en een daarop te baseren boek.
Zo werkte Huizinga in de jaren 1917-1918 aan twee boeken tegelijk, sterk verschillend van onderwerp en ook van stijl en sfeer. Herfsttij verscheen in juni 1919, met na de titelpagina een rouwvignet ter herdenking van zijn geliefde Mary.
Maar eerder nog verscheen het boek over Amerika, eind oktober 1918: Mensch en menigte in Amerika – Vier essays over moderne beschavingsgeschiedenis.
Binnen het oeuvre van Huizinga staat het boek begrijpelijk genoeg in de schaduw van het majestueuze Herfsttij, maar op zijn manier is het niet minder meesterlijk.

Fundamentele diagnosen

Wat betekenden de VS voor Huizinga? Hij schreef: ‘Wie zich voor het eerst gaat bezighouden met de geschiedenis van de Vereenigde Staten van Amerika, zal licht het gevoel hebben, alsof hij, door een kijker ziende, dezen aanstonds niet scherp gesteld kan krijgen; hij schroeft heen en terug, maar het beeld blijft schemerig.’
Toch blijkt Huizinga wel degelijk breed en diep en scherp te kunnen waarnemen. Anders dan in Herfsttij, waarin hij het economische onderbelicht liet, toont Huizinga een sterk besef van het belang van het economische in de VS. Hij ziet er ‘hernieuwd despotisme, dat van het kapitaal’. Hij ziet de twee grote politieke partijen primair gedreven door commerciële belangen, en het hele land verstrikt in materialisme.
Huizinga zou Huizinga niet zijn als hij niet ook een sterk gevoel zou tonen voor de culturele bovenbouw. Het is opvallend hoeveel belang hij toekent aan de Amerikaanse media: ‘Het geestelijk voedsel bij uitnemendheid van den modernen tijd is de krant.’
Ook daar ziet hij commercie leidend, gezien hoe in de schreeuwerige koppen de reclametaal de journalistiek doordrenkt. Geestelijk voedsel is voor de kranten bijproduct; ze leven van de advertenties.
Quote van Ook Johan Huizinga zag honderd jaar geleden al een ongekende gemeenschapszin in de VS. .
Van vakbonden tot Ku Klux Clan, van charitatieve clubjes tot grote corporaties – het wemelt in Amerika van verenigingen, voor elke denkbare zaak
Vanuit die verplatting schakelt Mensch en menigte door naar Huizinga’s zwarte schaap bij uitstek: de bioscoop. Die was nog jong in 1918, maar al de vierde industrie van de VS.
Huizinga was overtuigd dat film de kunst en literatuur verzwelgt, en zoveel oppervlakkigheid en afstomping teweegbrengt ‘dat men de bioscoop bijna op één lijn zou doen stellen met den alcohol’.
Het derde en misschien wel belangrijkste kenmerk van de VS zet Mensch en menigte neer in een knap eerste hoofdstuk: het samengaan van individualisme en organisatiezin. Geworteld in het gespierde individualisme van het Wilde Westen blijft dat een oerkracht, met bijbehorend wantrouwen jegens de overheid. Ook het politieke leven hangt volgens Huizinga aan elkaar van individuele spelers, en op Amerikaanse scholen wordt heldenverering al vroeg bijgebracht.
Maar tegelijkertijd bieden de Verenigde Staten volop plaats aan de ‘cultuuraandrift, die wij oppervlakkig geneigd zijn als het tegendeel van individualisme te beschouwen: die van associatie of maatschappelijke organisatie, of wel gemeenschapszin’.
Van vakbonden tot Ku Klux Clan, van charitatieve clubjes tot grote corporaties – het wemelt in Amerika van verenigingen, voor elke denkbare zaak.
Te midden van deze fundamentele diagnosen toont Huizinga ook een briljant oog voor het frappante kleine in Amerika, zoals de innovaties van de naaimachine en de lift en ook het prikkeldraad, symbool bij uitstek van hoe een Amerikaan met hand en tand het eigen erf beschermt.
Bron 
Joost Stokhof
En soms waagt Huizinga zelfs iets profetisch. De straf van sterilisatie die sommige staten blijken te kennen, verleidt hem tot de vraag: ‘Is dit een eerste schrede op een groot pad in de toekomst: naar de beheersching van de geboorten zelf?’

Amerikaanse mentaliteit

Over dit alles, groot en klein, hangt een stemming van diepe ambivalentie jegens Amerika. Het grote negatieve wat hij in Amerika waarneemt is wat hij noemt de tendens tot mechanisering, die de vrije geest bedreigt.
Deze mechanisering komt niet enkel voort uit de moderne techniek, maar is een dieperliggend gevolg van ’s lands doorgedreven organisatiezucht. ‘Organisering wordt mechanisering’, stelt Huizinga pregnant. Het concept van grote corporaties die de standaard voor de samenleving zetten, maakt de individuele mens tot slaaf, met navenant verlies van ziel. ‘De geest is in de machine gegaan.’
En ook hier klinkt Huizinga profetisch: ‘Op de volmaking van de machine zelve moet onafwendbaar logisch de adaptatie van den mensch aan de machine volgen.’
Toch heeft hij ook hij ontzag voor de Verenigde Staten. Huizinga ziet ‘de geweldige levensaanvaarding en gerichtheid op deze wereld en deze of de komende tijd’ zelfs als het wezenskenmerk van de Amerikaanse mentaliteit. Hun toekomstgerichtheid drijft Amerikanen voort, en daarbij hoort een vanzelfsprekend optimisme. ‘Overal ziet men het optimisme, op het hoogste niveau en in het alledaagse.’
Daarmee vergeleken leeft de Europese cultuur veel meer met het verleden: ‘Kathedralen, Shakespeare – de VS hebben geen last van zoveel oude letters en oude steen.’
Met als gevolg: ‘Amerika loopt veel lichter geschoeid naar de toekomst.’
Dit alles is van achter een bureau in Middelburg en Leiden toch scherp waargenomen.
Hoewel het feitelijk het debuut was van de nog onbekende Huizinga, was Mensch en menigte voor de begrippen van die tijd succesvol. Al spoedig was een herdruk nodig. De recensies waren lovend, ook uit de VS.
Dit alles, plus enkele persoonlijke contacten, bezorgde hem in 1926 een uitnodiging van de Laura Spelman Rockefeller Foundation voor een geheel verzorgde rondreis door de Verenigde Staten.
Voor het eerst kreeg de historicus Huizinga hier de gelegenheid de inzichten die hij uit boeken had ontwikkeld, aan eigen waarneming te toetsen.

Huizinga in Amerika

En zo ging Johan Huizinga, precies honderd jaar geleden, op reis.
Hij was niet eerder buiten Europa geweest, en was nu negen weken in de VS. Gedurende zijn reis heeft Huizinga voor het eerst van zijn leven en meteen voor het laatst een dagboek bijgehouden, dat gelukkigerwijs bewaard bleef.
Voor zijn doen is het best persoonlijk. Zoals bijvoorbeeld over een ervaring op de mooie campus van Berkeley in Californië: ‘Een vogel die zingt geeft mij even een gevoel van heimwee: heel speciaal naar Toorenvliedt met de kinderen.’
Ook maakt het dagboek onderweg fijnzinnige observaties. Zoals over een grapefruit die Huizinga bij het ontbijt krijgt geserveerd, een vrucht die hier te lande destijds vrijwel onbekend was en die hem typisch Amerikaans voorkomt. ‘Grapefruit kon wel het symbool van standaardizering zijn, het is een buitengewoon onindividueele vrucht, altijd precies in orde; vergelijk daar nu eens 100 hollandsche appels mee.’
Bron 
Joost Stokhof
En hij zag de Grand Canyon: ‘Het is alsof je de Aarde voor het eerst ziet; het lijkt alsof de Schepping hier gaande is.’
Maar het was vooral in de persoonlijke omgang met Amerikanen dat Huizinga kreeg ingekleurd wat hij voordien enkel in zwart-wit had kunnen zien. Historicus Anton van der Lem heeft nageteld dat Huizinga op zijn reis met meer dan vierhonderd mensen kennismaakte: aan het ontbijt, de lunch, diner of tijdens universiteits- en ook theaterbezoek. Allemaal strak gepland, met iedereen startklaar om met de Nederlandse gast te spreken. Want zoals deze in zijn dagboek schrijft: ‘Men schijnt hier niet moe te worden.’
Huizinga maakte vooral kennis met de wereld van de extraverte social sciences; blijkens zijn dagboek had hij graag wat meer van de humanities gezien, en ook van de wereld buiten de universiteit. Hij noteert: ‘Ik moest meer Amerikaanse vrouwen spreken. Alsmaar proffen.’
Daar stond wel tegenover dat hij nu de academische wereld, die in Mensch en menigte nagenoeg buiten beschouwing was gebleven, uitgebreid leerde kennen. Ook daar ziet hij de volgens hem karakteristieke Amerikaanse toekomstzin: ‘Een class [=een nieuwe lichting eerstejaars] heet van tevoren 1929 [niet naar het jaar van aankomst, maar het jaar van afstuderen] en het einde [de diploma-uitreiking] heet Commencement [= begin].’

Wisselende stemmingen

Zo werd op reis Huizinga’s beeld van de VS op hoofdlijnen bevestigd: de dominantie van de economie, de schetterige media en individualisme gepaard aan organisatiekracht. Daarmee werd ook Huizinga’s ambivalentie verder gevoed – nu ook ten aanzien van de universiteiten, die indruk op hem maken maar die hij tegelijk ziet worstelen met de spanning tussen zuivere en economisch nuttige wetenschap.
Typerend is hoe men hem op Harvard eerst meetroont naar de Business School, ‘groot opgezet, voortreffelijk toegerust en rijk gedoteerd’, maar ook ‘hier wordt de efficiency mij te machtig, al die miljonairs aan de wand’.
In het dagboek zijn die wisselende stemmingen waarneembaar. Van ‘Ik geef mij van dag tot dag meer aan Amerika gewonnen’ tot ‘Is de heerlijke natuur wel aan Amerika besteed?’
Bron 
Tessa Biemans
Vooral Chicago komt heftig bij hem binnen: ‘Al die gebouwen vol van ijverige en vriendelijke secretaresjes, die meenen dat dit een levensdoel is. Arme kinderen. Sommigen zijn al oud. Is dit die Amerikaansche toekomst, die ik bereid was mooi te zien? Of moet men wanhopen aan de moderne beschaving?’
Maar daags daarna is hij alweer verzoend: ‘Ik moet alweer mijn opinies herzien.’ Een diner met een econoom en diens vrouw helpt Huizinga er weer bovenop. ‘Hij is een bijzonder aardig goedrond slag Amerikaan. Kon een Zeeuw zijn.’
Tijd om naar huis te gaan, kortom. ‘Reizen verruimt de geest niet’, zou Huizinga later op stellige toon tegen zoon Leonard verklaren. Hij was nu eenmaal ook geen reiziger, of beter: hij reisde liever in de geest.
Hij was niet eerder buiten Europa geweest, en met het intensieve programma voor iemand die met zijn 53 jaren toch ook al niet meer de jongste was, en vierhonderd praatgrage Amerikanen, kon het voor een man die zo van rust en stilte hield niet onverdeeld goed gaan.

Arend en sterren en strepen

Logischerwijs ligt Huizinga’s dagboek aan de basis van het nieuwe boek dat hij snel na terugkomst schreef: Amerika levend en denkend (1926). De ontbijtgedachte betreffende de grapefruit is nu gepromoveerd tot een icoon van het georganiseerde en optimistische Amerika:
‘Wanneer de Amerikanen, bij arend en sterren en strepen, nog behoefte hebben aan een vriendelijk en sympathiek embleem, dan moesten zij, dunkt mij, de Grape-fruit kiezen. Of liever de halve Grape-fruit, want deze vrucht komt, geloof ik, alleen in helften voor. Zij is, praktisch gesproken, altijd gelijk geel, altijd gelijk frisch, altijd gelijk opgediend. En zij komt altijd op hetzelfde, nog hoopvolle morgenuur.’
Bron 
Joost Stokhof
Verrijkt door reiservaring is met name waar Huizinga bespiegelt over de Amerikaanse universiteiten, in hun voorliefde voor maatschappelijk bruikbaar onderzoek en hun uitnemende organisatie.
En dan de lunchcultuur in al die faculty clubs! ‘Als middel van geestelijk verkeer heeft de lunch in Amerika een bijna ritueele beteekenis verkregen. Niet alle wetenschappen leenen zich tot den lunchvorm: de geschiedenis deugt er niet voor.’
En van daaruit breder: ‘Ten spijt van een bloeiende en voortreffelijk georganiseerde beoefening der geschiedenis is Amerika’s geest grondig antihistorisch.’ Er heerst een mentaliteit van niet te veel omkijken, inzetten op efficiency en van daaruit de toekomst in. ‘Het is alles Dit, Hier en Straks.’
‘Losse opmerkingen’, noemt Huizinga het zelf in zijn ondertitel; ditmaal zijn het niet vier breed gespannen essays, maar 32 kleine vignetten, als dichtbeschreven ansichtkaarten uit de nieuwe wereld. De amerikanist Jan Willem Schulte Nordholt wees al eens op het voordeel van de afstand waarvan Huizinga’s beeld van Amerika getuigt. Hij zag per saldo scherper door de telescoop dan met de toneelkijker.
Quote van Frits van Oostrom - voelt zich uiteindelijk nog steeds het meeste thuis bij Huizinga’s ambivalentie..
Het is niet zo moeilijk om na de pax Americana nu het herfsttij der Verenigde Staten uit te roepen. En toch...
Huizinga’s genuanceerde oordeel over de VS was tamelijk uitzonderlijk voor een tijd waarin juist nogal wat antiamerikanisme baan brak. Men zei elkaar met graagte na dat Amerika misschien wel een beschaving was, maar alleen Europa een cultuur.
Hij zou het land nooit meer bezoeken, maar er altijd interesse voor behouden. Hij zou over Amerika college blijven geven en aan die colleges blijven schaven – de aantekeningen daarvan zijn bewaard – tot in 1940 toe. (De collegeserie van dat jaar moest Huizinga afbreken omdat de Duitse bezetter de Leidse universiteit gesloten verklaarde.)
De laatste woorden in geschrifte die Huizinga aan Amerika zou wijden dateren van 1943, niet lang voor zijn dood, in zijn laatste boek, Geschonden wereld. Ze zijn nog steeds doortrokken van ambivalentie. Enerzijds smaalt hij, wederom naar aanleiding van film en reclame, op wat hij noemt de ‘cultureele galvaniseering van een geheel volk’ zoals Amerika die volgens hem had doorgevoerd, met als gevolg ‘het stuitende vulgarisme van het Amerikaansche beschavingsgemiddelde’.
Om daar meteen aan toe te voegen dat schromelijk onbillijk ‘ware de dikwijls gehoorde bewering, als zouden in Amerika slechts de economische wil en het economische belang de verbreiding der cultuur beheerschen. Een edel en gezond idealisme ligt misschien nergens zoo helder voor het grijpen als juist in het Amerikaansche gemeenschapsleven’.

Alleen maar dikkere hoofdlijnen

En nu?
In 1917 kon Huizinga met reden zeggen: ‘Wij weten veel te weinig van Amerika.’
Nu weten wij eerder te veel, of in elk geval soms meer dan goed voor ons is. Zolang ik leef – sinds 1953 – zijn de VS veruit de sterkste wereldmacht, met alle extra zichtbaarheid van dien. Maar dat de president ervan zeven dagen per week het wereldnieuws en onze keukentafel domineert, heb ik nooit eerder meegemaakt. Gaat die achtbaan ooit ophouden ons rond te slingeren?
Zakelijk kun je vaststellen dat Huizinga nog steeds in veel opzichten gelijk heeft, zelfs versterkt. Zijn drie hoofdlijnen zijn in elk geval alleen maar dikker geworden. Het economische is eens zo dominant, de media nog luidruchtiger en individualisme wordt in Amerika nog steeds gecombineerd met ongekende organisatiekracht.
En wat Huizinga het meest zorgelijk voorkwam – wat hij mechanisering noemde – wordt tegenwoordig vanuit de VS zodanig aangewakkerd dat wij steeds meer vergroeid raken met onze apparaten. En inderdaad gaat dat veel verder dan gemak; de automatisering kruipt onder onze huid, precies zoals Huizinga vreesde.
Toen ik met mijn gezin in Boston woonde (inmiddels 25 jaar geleden), plachten wij elke woensdag de kinderen en onszelf te trakteren op pizza bij een lokaal adres. Toen ik op zekere woensdag de pizzabakker zei dat dit de laatste keer zou zijn omdat wij teruggingen naar Nederland, wekte dat in eerste instantie vooral verbazing op: ‘How come? You’re a Harvard professor, and there is no better university in the world.’
Maar toen ik zei dat Nederland nu eenmaal ons thuisland was, kwam hij met iets heel anders, dat mij sindsdien is bijgebleven: ‘Well, I can understand I guess: America turns you into a robot.’
Eclatanter gelijk had Huizinga niet kunnen krijgen.
En dan heeft Huizinga kenmerkende facetten van Amerika nog niet eens in al hun heftigheid meegemaakt. Denk aan de verziekte gezondheidszorg, de doorgedreven advocatencultuur, het absurde wapenbezit en de schrijnende verschillen tussen rijk en arm.
Toen Huizinga in 1926 in de VS kwam, zag hij een land in opbouw. Chicago oogde voor hem nog niet eens als stad, hoogstens als ‘iets dat een stad kan worden’. Amerika voelde destijds nog als een jeugdig land; honderd jaar later zou het bij Huizinga gemakkelijk een gevoel van herfsttij kunnen oproepen. Zie de felheid van het leven daar, de schreeuwende contrasten, de cultus van de schone schijn en van privaat boven publiek belang.
Plus de verkleefdheid aan symbolen, de theatrale politiek en het dikwijls vluchten in de vorm. Met hem wiens naam vandaag nu maar eens niet genoemd moet worden als een Bourgondische autocraat in het kwadraat. Landen annexerend, verslaafd aan machtsvertoon en klatergoud, en niet de minste nederigheid als mens. Met onderwijs en wetenschap, nog niet zo lang geleden Amerika’s envy of the world, zijn zolen afvegend, tenzij ze daar zijn liedje zingen.

Het elan van Amerika’s geest

Soms lijkt het wel alsof Amerika niet het land van de toekomst is, maar tegen de geschiedenis in evolueert. Het land dat altijd zo trots was op zijn meritocratie en uitblonk in rolmodellen van succes dankzij persoonlijke verdienste, grossiert nu in geboorteprivileges, toont in zijn stemgedrag een zwak voor aristocratie van eigen kweek (Kennedy, Bush, het echtpaar Clinton) en moet inmiddels protestmarsen organiseren onder de slogan ‘No Kings’.
Aldus bezien is het niet zo moeilijk om na de pax Americana nu het herfsttij der Verenigde Staten uit te roepen. En toch voel ik mij uiteindelijk nog steeds het meeste thuis bij Huizinga’s ambivalentie. Ik voel mij daarin gesterkt door wat Timothy Snyder heeft genoemd ‘the heroes of our time’: de vrije pers.
In bladen als The New York TimesThe New YorkerThe Chronicle of Higher Education en via websites als Arts & Letters Daily en Politico en vele meer zie ik nog steeds volop van wat Huizinga het elan van Amerika’s geest noemde: het creatieve, humane, weldenkende en ook zelfkritische Amerika.
Een cynicus zal zeggen: wat stellen zulke periodieken helemaal voor, kwantitatief, tegenover het grote geweld? En ik geef toe dat ik in een bepaalde hoek zit, een bubbel zo u wilt.
Maar toch, kwalitatief. Het niveau waarop in die kolommen wordt geschreven en gedacht; de aandacht die ze geven aan de hoogwaardige boeken en wel degelijk ook films die in Amerika nog met de regelmaat van de klok verschijnen; plus hun doorkijk naar bijvoorbeeld Amerikaanse universiteiten – en dan heb ik nu eens niet het oog op Harvard, maar op de vaak uitstekende publieke instellingen, vijfduizend in totaal, van Ivy league tot community colleges, waar bijna 40 procent van de Amerikaanse jeugd naartoe gaat en 650 duizend docenten hun dagelijkse best doen om jonge mensen kennis, vaardigheden en burgerschap bij te brengen.
Dat is ook Amerika vandaag. Toegegeven: het heeft het moeilijk momenteel, en ervaart druk van bovenaf en ook van binnenuit. Maar als echte Amerikanen gaan ze meestal niet bij de pakken neerzitten, maar zetten ze zich schrap.
‘Don’t mourn, organize’, zouden de laatste woorden zijn geweest van de in 1915 ter dood gebrachte vakbondspionier Joe Hill, en zijn getrouwen volgden in dat activisme – en in diezelfde geest zien we nu alweer kritiek en verzet binnen Amerika zich organiseren.

Vertrouwen

Ik zou willen vertrouwen op zulke krachten. En in de beste traditie van het Amerikaanse individualisme ons niet blindstaren op landsbestuur, maar kijken naar de mensen zelf, ongeacht hun nationaliteit. Mensen die houden van natuur, cultuur, en kunst en wetenschap om huns zelfs wille, die geven om waarheid en schoonheid, en om muziek en talen zoals Huizinga dat deed.
En om de geesteswetenschappen, die wat mij betreft nog beter de humanities heten, omdat ze ons erbij helpen bepalen what it means to be human. In de stroom van technologisering is hun inbreng letterlijk broodnodig, omdat we anders geestelijk verhongeren.
Laten we vertrouwen hebben in wat ik zou willen noemen de geest van Toornvliet. De spelling van de naam en de uitleg ervan variëren. Sommigen denken dat het iets te maken heeft met het torentje op het huis en misschien ooit iets van een vliet daarbij.
Maar de juiste etymologie is, zoals Huizinga natuurlijk wist, het vlieden van de toorn, weg van de woede en in de richting, zoals Willem Otterspeer het formuleerde, waar het leven geen boosheid kende. Een leven dat niet afhangt van militaire coalitions of the willing, maar bouwt op mensen van goede wil, die nog altijd talloos zijn.
Overigens blijkt Huizinga dit ook al eens te hebben uitgesproken. Het zijn de laatste woorden van zijn allerlaatste boek, Geschonden wereld uit 1943, waarin hij houvast zoekt terwijl inmiddels een tweede wereldoorlog gaande is:
‘Overal staan millioenen menschen gereed en bereid in wie de behoefte leeft aan recht en zin voor orde, eerlijkheid, vrijheid, rede en goede zeden. Tracht hen niet te vatten onder een categorie als democraten, socialisten of welken dan ook. Noem hen eenvoudig met een naam van edeler klank dan al deze: menschen van goeden wille.’
Beter valt het niet te zeggen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.