‘Gezamenlijk lenen’ is bezig aan een stille opmars, of Nederland dat wil of niet. In Luxemburg zien ze: Europese autonomie begint met gezamenlijke schulden
EU-financiering Dat de wispelturigheid van Donald Trump soms ook iets positiefs voor Europa teweeg kan brengen, blijkt aan de rand van Luxemburg-Stad. Daar verkoopt het Europese noodfonds ESM euro-obligaties. „We merken dat Europa steeds meer geldt als een plek met kansen. Niet als een oud continent, maar als the land of the law.”
Gepubliceerd op
Het ESM is in 2012 opgericht als een soort reddingsboei voor Zuid-Europese landen, Griekenland voorop, die in 2010 in grote financiële problemen kwamen. Door het ESM wisten beleggers: als Athene niet betaalt, dan Berlijn en de rest wel.
— FOTO ORESTIS PANAGIOTOU/EPA
In een kantoortuin zonder opsmuk kijkt een groep van vijftien mannen en vrouwen naar een veelvoud van schermen. Op al die schermen worden de golven van de mondiale financiële markten gevangen in tabellen vol getallen. Beursstanden. Wisselkoersen. De ene diepgroen, een ander felrood, een enkele keer stabiel wit – en allemaal voortdurend in beweging.
De leek ziet een lukrake verzameling getallen. Maar in dit kantoorpand aan de rand van Luxemburg-Stad zien de werknemers van het Europese noodfonds ESM in al die cijfers vanzelf een patroon opdoemen: Europa is in trek, mede dankzij de grillen van president Trump.
„Beleggers die naar Europa kijken, hebben nog wel eens last van FOMO [Fear of Missing Out]”, zegt Jun Dumolard, het vlotte Japans-Franse hoofd financiering en investeerdersrelaties van het ESM, als hij in een grijze sweater op de handelsvloer arriveert. „Ze zien ook de hoge winsten die je op de Amerikaanse markt kunt maken. Maar we merken dat Europa steeds meer geldt als een plek met kansen. Niet als een oud continent, maar als the land of the law.”
Achter hem, op een van de vele schermen, floept een melding tevoorschijn bij elk Truth Social-bericht dat door de Amerikaanse president de wereld in wordt gestuurd. De markt begint aan al die losse berichten te wennen, maar de overkoepelende trend wijst één kant op.
Toen Trump half januari een onderzoek opende naar Jerome Powell, de baas van de Fed, de Amerikaanse centrale bank, zagen ze in Luxemburg in de uren en dagen erna de vraag naar Europese financiële producten toenemen. Naar aandelen in Europese bedrijven. Naar staatsobligaties – Duitse en Nederlandse, maar ook Spaanse en Griekse. En ook naar de Europese obligaties die ze bij het noodfonds zelf uitbrengen.
Beleggers houden van rendement, maar ook van voorspelbaarheid. „Zij zien zo’n moment met Powell en denken: wil ik mijn geld echt investeren in de VS?”, zegt de financieel directeur van het fonds, de Nederlander Kalin Anev Janse. „Of kies ik voor de veilige haven Europa?”
Wij zijn een bron van stabiliteit
Een dag na de aankondiging van het onderzoek tegen Powell bracht hij toevallig net miljarden aan nieuwe obligaties op de markt, vertelt Anev Janse. De beleggers en investeerders stonden in de rij.
Een bankgebouw in Athene is om veiligheidsredenen vrijwel gesloten. Het is maart 2010 en de Griekse schuldencrisis laait op.
— FOTO MILOS BICANSKI/GETTY
Geen taboe, maar dagelijkse realiteit
Gezamenlijke leningen – een soort staatsobligaties waarbij niet één individueel land garant staat, maar Europese landen gezamenlijk de risico’s delen – liggen gevoelig, zeker in Nederland. En zeker als de term eurobond valt. Dan barst al snel een explosieve woordenstrijd los.
Vorig jaar sprak een meerderheid van de Tweede Kamer zich uit tegen de uitgifte van zulke gezamenlijke leningen. Het nieuwe kabinet doet dat niet. D66, VVD en CDA stellen zich in het regeerakkoord nog wel kritisch op over ‘eurobonds’, zo schrijven ze, maar ze scharen zich wél achter meerdere bestaande nieuwe initiatieven om gezamenlijk te lenen.
Voor het clubje in het kantoorpand in Luxemburg is de wereld van gezamenlijke leningen geen taboe. Het is de dagelijkse praktijk. Allemaal werken ze voor het Europees Stabiliteitsmechanisme, het ESM, en zijn voorganger, het Europese Financiële Stabiliteitsfaciliteit of EFSF. En allemaal verkopen ze Europese obligaties. ‘Europese veilige activa’, worden ze hier genoemd. Ook de EU en de Europese Investeringsbank geven zulke Europese obligaties uit.
Anev Janse is als financieel directeur van het ESM voortdurend op pad om nieuwe kopers te vinden voor deze obligaties. Niet dat het fonds investeerders tekortkomt. De interesse is steevast groter dan het aanbod. Bij elke uitgifte heeft zijn team de investeerders voor het uitkiezen.
De meesten krijgen beduidend minder dan ze hadden willen kopen. Of helemaal niets. Anev Janse: „Begin deze maand verkochten we in één ronde 7 miljard euro aan obligaties. Als we alle verzoeken hadden ingewilligd, was dat meer dan 50 miljard euro geweest.”
Het ESM is in 2012 opgericht als een soort reddingsboei. Zuid-Europese landen, Griekenland voorop, kwamen vanaf 2010 in grote problemen. Athene kon nauwelijks nog geldschieters vinden die bereid waren aan de Griekse regering geld te lenen – cruciaal om rekeningen en oude leningen af te lossen. Dus bundelden de landen in de eurozone hun krachten en gingen ze via het noodfonds gezamenlijk de markt op om het geld te lenen, om dat geld vervolgens direct weer uit te lenen.
Beleggers vonden het prima. Zij wisten: als Athene niet betaalt, dan Berlijn en de rest wel.
Het bleef niet bij één reddingsboei. Toen de coronapandemie in 2020 tot een economische ramp dreigde te leiden, grepen de Europese regeringsleiders opnieuw naar gezamenlijke leningen. Zo ontstond het coronaherstelfonds, ter waarde van 750 miljard euro. Vorig voorjaar kwamen er nieuwe eurobonds op de markt zodat landen hun defensieuitgaven versneld kunnen opschroeven. En kort voor Kerstmis werden de EU-landen het eens over een lening van 90 miljard euro aan Oekraïne, wederom via een gezamenlijke lening.
Duitse, Nederlandse en andere Europese kredietwaardige staatsobligaties zijn populair, maar ze zijn schaars. Niemand komt in de buurt van de schaal van de Amerikaanse obligatiemarkt
Omdat ook de Europese Investeringsbank al decennia gebruikmaakt van de EU als financiële achtervang, zijn EU- en euro-obligaties inmiddels alom aanwezig. Het aantal uitstaande leningen is zo hard gegroeid dat ze in al hun verschijningsvormen nu de op vier na grootste schuldenberg van de EU vormen. Er staat anno 2026 in totaal voor 1.400 miljard euro aan gezamenlijke schulden uit. Iets minder dan de staatsschuld van Spanje, bijna drie keer zo veel als die van Nederland.
Een risico? Anev Janse en andere voorstanders van meer gezamenlijke schulden zien iets heel anders: een uitgelezen kans om Europa minder afhankelijk te maken. „We zouden enorm gebaat zijn bij een sterke euro naast de dollar”, zegt de financieel directeur.
En dat kan in zijn ogen niet zonder veel meer leningen uit te geven.
De macht van de dollar
De mondiale economie leunt sterk op het Amerikaanse financiële systeem. Olie wordt in dollars gefactureerd. De wereldhandel vindt grotendeels in dollars plaats. Amerikaanse staatsobligaties domineren, ondanks grillige beslissingen uit Washington DC of Mar-a-Lago, de markt. Die positie van de dollar maakt de regering-Trump machtig – en Europa juist sterk afhankelijk van de VS.
Kijk, zegt Ioannis Vazouras, een in krijtstreeppak gestoken Griek met een baardje. Nu al zie je de interesse onder beleggers voor Europa groeien, ziet hij in zijn tabellen. Europese bestemmingen, zoals de Zwitserse frank, worden populairder. Ook de euro profiteert. Is dat geld dat zich van Amerika naar Europa verplaatst? „We hebben geen hard bewijs dat beleggers het ene voor het andere inruilen. Maar we zien wel een correlatie. En onze gesprekken met de markt nemen dat beeld niet weg.”
Desondanks is er nu geen serieuze rivaal voor de macht van de dollar, zegt hoofdeconoom Sander Tordoir van het Centre for European Reform, telefonisch. Niet zolang beleggers vastzitten aan die Amerikaanse obligaties. „Duitse, Nederlandse en andere Europese kredietwaardige staatsobligaties zijn populair, maar ze zijn schaars. Niemand komt in de buurt van de schaal van de Amerikaanse obligatiemarkt (die met een marktomvang van zo’n 25.000 miljard euro bijna twintig keer zo groot is als alle Europese gezamenlijke schuld bij elkaar opgeteld). Zelfs als een centrale bank of belegger zou willen switchen, dan is die optie er helemaal niet.”
Met een toename van Europese gezamenlijke leningen kan die markt wél ontstaan. Er is nog een effect dat voorstanders graag aanhalen: hoe groter een obligatiemarkt is, hoe lager de rente. Als de markt eenmaal groot genoeg is, legt Tordoir uit, ontstaat vanzelf een „positieve cyclus”. Beleggers kopen graag aandelen waarvan ze weten dat ze die ook gemakkelijk op elk moment weer kunnen verkopen.
Die cyclus is de hoofdreden dat de Amerikaanse obligatiemarkt ondanks alles nog altijd populair is bij beleggers. Europa zou in theorie hetzelfde voordeel kunnen bereiken, aldus Tordoir. En de rente op obligaties hangt op zijn beurt weer sterk samen met de rente in de private sector. Ook Nederland zou via die schaalvoordelen kunnen profiteren van een lagere rente. Vooralsnog is dat een hypothetisch scenario: Nederland kan tegen lagere kosten lenen dan zowel de EU als het ESM.
Onduidelijk is hoe die grotere Europese obligatiemarkt tot stand zou moeten komen. De meest gedane suggestie is om net als in de afgelopen jaren euro-obligaties uit te geven met een duidelijk doel, zoals de defensieopgave. Een aantal economen wil nog veel verder gaan: zij stelden in een vorig jaar verschenen essay voor om een groot deel van hun nationale staatsschulden in te ruilen voor Europese schulden en zo met een ‘big bang’ een grote euro-obligatiemarkt op te tuigen.
Normalisering als nachtmerrie
Zover is het nog lang niet. Maar de toon in het debat over euro-obligaties is veranderd, en daar zijn volgens Tordoir twee redenen voor. „De eerste is eenvoudig: we hebben het al gedaan en dat ging best goed. Het ESM, maar vooral het coronaherstelfonds is goed uitgepakt. Dat schuldpapier draait aardig mee op de markt. Punt twee: de geopolitieke druk stijgt. Landen in het noorden en noordoosten van Europa voelen de hete adem van Vladimir Poetin in de nek. Die zien nu de waarde van een Europese veiligheidsvoorziening die we gemeenschappelijk financieren.”
Nederland blijft fel tegen, maar ziet het aantal bondgenoten slinken. Traditioneel zuinige landen als Denemarken en Finland hebben zich al gemeld voor de gezamenlijke defensieleningen die de EU vorig jaar lanceerde – al ging dat deels om symbolische bedragen. De Europese Centrale Bank is een voorstander. Begin deze week riep Kristalina Georgieva, chef van het Internationaal Monetair Fonds, de EU nog op om „te creëren waar vraag naar is”. Lees: meer gezamenlijke leningen.
Voor critici is deze normalisering een nachtmerrie. Tegenstanders van euro-obligaties zijn nog altijd goed vertegenwoordigd, zeker in Nederland en Duitsland. Zij wijzen onder meer op de risico’s die ontstaan als volop buiten de nationale begrotingen om wordt geleend. En wie betaalt er als de rente oploopt? Vreemd is die zorg niet: bij het coronaherstelfonds vallen de rentelasten al hoger uit dan verwacht en is nog altijd niet duidelijk hoe de lening zelf ooit zal worden terugbetaald.
Maar de grootste vrees onder sceptici komt neer op een fenomeen dat economen moral hazard noemen. Een lage kredietwaardigheid (dus hoge leenkosten) is voor regeringen een gruwel, maar vormt zo ook een prikkel om de begroting op orde te krijgen. De markt disciplineert. Die prikkel verdwijnt als dezelfde regering via Brussel alsnog goedkoop aan geld kan komen, omdat andere landen hun begroting wel op orde hebben.
Die laatste zorg draait op dit moment boven alles om één land: Frankrijk. Dat kampt al jaren met grote begrotingstekorten en slaagt er maar niet in serieuze hervormingen door te voeren. Een grote economie bovendien, die veel moeilijker te redden zou zijn dan Griekenland als het misgaat.
De optimisten menen dat de soep niet zo heet gegeten zal worden. Je zou bijvoorbeeld voorwaarden kunnen stellen waardoor landen pas gebruik van euro-obligaties mogen maken als ze zich aan de regels houden. Zo kunnen de risico’s worden beperkt, redeneren zij.
Vast staat dat de discussie weer snel zal opspelen. Toen Brussel vorig jaar voor 150 miljard aan Europese obligaties uitgaf om de Europese hoofdsteden geld te lenen voor hun defensieopgave, was het bedrag zo op. „Er was zóveel interesse”, zei Europese Commissievoorzitter Ursula von der Leyen onlangs, „dat er al om een tweede ronde wordt gevraagd.”
Op 30 januari 2026 presenteerde D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord, met als titel ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’. Wat betekent dit akkoord voor natuur en milieu? Wordt de stikstofproblematiek nu echt aangepakt of is het toch weer een voortzetting van falend beleid, maar dan met wat nieuwe termen?
Om een zinvol oordeel te geven is het belangrijk om in samenhang te kijken naar de ambities, de voorgestelde maatregelen en de te verwachten resultaten. Het is gemakkelijk om mooie ambities te presenteren, maar als bijbehorende maatregelen ontbreken stellen ze niet zoveel voor. Het is ook gemakkelijk om miljarden te reserveren, maar als die niet op de juiste manier worden ingezet is het vooral geld over de balk smijten[1]. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar de tijdsplanning. Het coalitieakkoord zou vooral moeten gaan over de komende vier jaar, met wellicht een doorkijkje naar de periode daarna, maar we weten dat sommige partijen heel graag problemen doorschuiven en vooral maatregelen presenteren die ze niet zelf gaan uitvoeren. Tot slot is het goed om ook een beetje tussen de regels door te lezen en niet alleen af te gaan op mooi en soms wat vage beloften. Welk perspectief komt er uit de tekst naar voren en wat zegt dat over de beschreven ambities en maatregelen?
Betrouwbare overheid
Het eerste deel gaat over een overheid die eenvoudig en betrouwbaar is. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor heel veel dossiers en vraagstukken en die zijn zelden eenvoudig. De overheid kan dus ook nooit eenvoudig zijn. Veel regels, organisatieonderdelen, samenwerkingsverbanden en personeel zijn nodig om geloofwaardig te werken aan die complexe vraagstukken. Simpelweg regels schrappen gaat het probleemoplossend vermogen niet verbeteren.
Dat veel beloftes in eerdere kabinetsperioden niet zijn waargemaakt, heeft weinig te maken met een grote en complexe overheid, maar vooral met het ontbreken van politieke wil om maatregelen te nemen, decentralisatie én deregulering. De slagkracht van de overheid is flink afgenomen doordat kabinetten in de afgelopen decennia ervoor kozen om veel verantwoordelijkheden neer te leggen bij decentrale overheden, zonder voldoende centrale regie en zonder de budgetten die nodig zijn om beleid goed in te vullen en uit te voeren[2].
De geloofwaardigheid van de Rijksoverheid heeft flinke deuken opgelopen doordat ze zich structureel niet aan de eigen wetten houden, de rekening steeds opnieuw neerleggen bij burgers en doordat bestuurders zich meer dan regelmatig gedragen als lobbyisten voor sectoren zoals de luchtvaart, vervuilende industrieën en intensieve veehouderij[3]. De misstanden en problemen die daaruit zijn voortgekomen krijgen regelmatig aandacht, maar structurele oplossingen komen er niet[4]. Ook deze coalitie kiest ervoor om de rekening van hun beleid bij burgers neer te leggen. Belasting op arbeid gaat omhoog, belasting op vermogen en vervuiling blijft minimaal. Een klein lichtpuntje is wellicht het voornemen om een stevig schot te bouwen tussen de onafhankelijke rechtspraak en de politiek. Of dat ook betekent dat deze coalitie zich aan wetten en rechtelijke uitspraken gaat houden moet nog blijken.
Met dit in het achterhoofd leest te tekst van het coalitieakkoord niet als een kantelpunt, maar vooral als voortzetting van het bestaande werkwijze. Er is geen aandacht voor de indirecte drivers en onderliggende oorzaken van maatschappelijke problemen en zolang die niet worden aangepakt blijven andere maatregelen in het meest gunstige geval een kwestie van pleisters plakken. Sterker nog: met subsidies en belastingvoordelen voor vervuilende industrieën en het afzwakken van regels worden die onderliggende oorzaken alleen maar groter.
Het deel over natuur en milieu is wederom ondergeschoven bij landbouw. Dat is een van die structurele weeffouten die een belemmering vormt voor het oplossen van verschillende milieu- en gezondheidsproblemen, zoals stikstof, pesticiden en zoönose. Een zin als “Als we Nederland van het stikstofslot halen, … kunnen we de natuur en biodiversiteit, die onder grote druk staan, herstellen” illustreert dat natuur en biodiversiteit slechts als een bijkomend probleem worden beschouwd en niet als basis voor een gezonde en welvarende samenleving. Verder gaat de tekst vooral over vergunningverlening en veel minder over wat daadwerkelijk nodig is voor natuurherstel. In werkelijkheid is herstel van natuur en biodiversiteit voorwaardelijk om vergunningverlening voor vervuilende activiteiten weer eenvoudig te maken[5]. Bovendien is de kwaliteit van de leefomgeving de basis voor voedselproductie, gezondheid en welzijn.
Het Stockholm Resilience Centre heeft in een figuur mooi zichtbaar gemaakt hoe de verschillende duurzaamheidsdoelen zich tot elkaar verhouden en hoe de natuurlijke omgeving de basis is voor de samenleving: Azote for Stockholm Resilience Centre, Stockholm University.
Ambitieniveau
Het ambitieniveau van het coalitieakkoord wordt snel duidelijk doordat er een vaag en weinig ambitieus “streefdoel” is geformuleerd: “Voor de landbouw wordt voor 2030 als streefdoel een bandbreedte van 23 – 25% reductie ten opzichte van 2019 vastgesteld” (p. 20). In 2020 gaf de Commissie Remkes al het advies om voor 2030 in te zetten op halvering van de uitstoot van ammoniak. Dat was ook het uitgangspunt van het Nationaal Programma Landelijk Gebied dat in 2022 vast start ging. Nu, een paar jaar later, is er van die ambitie dus nog maar de helft over en is het afgezwakt van een concreet doel naar een streefwaarde.
Met dit “streefdoel” gaat de coalitie bij lange na niet voldoen aan het bevel dat de Rechtbank Den Haag heeft uitgesproken in de zaak die Greenpeace had aangespannen. In die uitspraak heeft de Rechtbank beleid en maatregelen getoetst aan minimale inspanningen, namelijk het voorkomen van verdere verslechtering van beschermde habitats. Op basis daarvan is de volgende uitspraak gedaan:
“De rechtbank beveelt de Staat zich aan zijn stikstofdoel voor 2030 te houden, wat betekent dat de Staat 50 procent van de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur uiterlijk op 31 december 2030 onder de grenswaarde moet brengen. Daarbij moet de Staat, anders dan de Staat tot nu gedaan heeft, voorrang geven aan de meest kwetsbare natuur”.
Inzetten op een beduidend lager “streefdoel” kan dus eenvoudig worden uitgelegd als minachting van de rechtstaat, natuur en boeren die graag willen verduurzamen.
Over het voornemen om stikstofdoelen vast te leggen voor 2035 kunnen we kort zijn: die doelen staan al in de wet, ze volgen al uit wettelijke verplichtingen én niet onbelangrijk dit kabinet gaat over de komende vier jaar en niet zozeer over wat er daarna gaat gebeuren. De “ambitie” om maatregelen opnieuw vooruit te schuiven (na 2030 wordt wel weer verder gekeken) is veelzeggend. Het voornemen om “- in overleg met betrokken partijen – aanvullende maatregelen te treffen als het 2030-doel niet gehaald gaat worden“, is op dit moment niet meer of minder dan een loze belofte. Net als de bewering dat als ultieme remedie zal worden gekort op dier- of fosfaatrechten bij landbouwbedrijven. Geloofwaardig beleid zou zich moeten richten op noodzakelijke maatregelen die in komende vier jaar worden uitgevoerd en op tijdelijk borging van aanvullende maatregelen als in de komende jaren blijkt dat vrijwillige “doelsturing” en gebiedsprocessen niet voldoende zijn voor het beschermen van natuur.
Een studie van het Planbureau voor de Leefomgeving laat zien dat het vervallen van de derogatie vooralsnog de meest effectieve maatregel is voor het verminderen van de uitstoot – mits er wordt ingezet op toezicht en handhaving om te voorkomen dat mest illegaal wordt gedumpt. Samen met het resultaat van opkoopregelingen en andere maatregelen die lokaal zijn uitgevoerd, gaat de daling van de uitstoot al aardig richting het streven van 25% vermindering. Die 25% vermindering is onvoldoende en het zou aanleiding moeten zijn om er eindelijk eens een tandje bij te doen. Als het NPLG was voortgezet of als nu de doelen daarvan opnieuw uit de kast worden gehaald en bijbehorende maatregelen worden uitgevoerd, is het stikstofprobleem binnen een paar jaar – en dus binnen de termijn van deze coalitie – een heel stuk kleiner. En dat zou dan een hele goede basis zijn om verder te werken aan natuurherstel en tegelijkertijd vergunningverlening voor bv. woningbouw een stuk eenvoudiger te maken.
Doordat deze coalitie hier niet voor heeft gekozen, is het niet uit te sluiten dat de natuurkwaliteit in de komende jaren verder verslechtert en dat nog meer maatregelen nodig zijn om dat tegen te gaan en natuur te herstellen. Het betekent ook dat vergunningverlening nog steeds lastig zal blijven en Nederland voorlopig nog niet van dat zogenaamde “stikstofslot” af is.
De ambities voor natuurherstel zijn wat vaag geformuleerd. Er wordt benoemd dat bestaande verplichtingen worden uitgevoerd en dat met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland nieuwe afspraken worden gemaakt voor de periode na 2027. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft al diverse malen aangegeven dat zo’n 150.000 hectare extra natuur nodig is voor natuurherstel én om te voldoen aan internationale afspraken daarover. Idealiter zou die opgave integraal onderdeel moeten zijn van gebiedsprocessen en de inzet om op gebiedsniveau te werken aan natuurherstel. Het is dan wel handig om dat nu al concreet te benoemen.
Water en milieu krijgen aan het einde van de tekst nog een klein beetje aandacht. Wat bedoeld wordt met de zin “We kiezen voor ambitieus toekomstgericht beleid op het gebied van milieu en water”, wordt niet duidelijk. Regels versimpelen klinkt in ieder geval niet ambitieus en verder staat er niet meer dan wat er nu ook al in beleid is vastgelegd. Of het daadwerkelijk ambitieus zal worden, is dus nog maar de vraag.
Maatregelen
De voorgestelde maatregelen zijn wat lastiger te beoordelen. Laten we eerst eens kijken naar stikstof. De voornemens om de kritische depositiewaarde (KDW) te vervangen door een juridisch houdbaar alternatief, het invoeren van een nieuwe vergunningssystematiek, monitoring, of het invoeren van een rekenkundige ondergrens of drempelwaarde, gaan in ieder geval niet helpen om verslechtering van natuur als gevolg van overmatige stikstofdepositie tegen te gaan.
Afspraken maken over generieke reductiemaatregelen en doelsturing klinkt logisch, maar zolang niet bekend is welke afspraken dat zijn, is er weinig zinnigs over te zeggen. Als het vertrekpunt een laag ambitieniveau is, levert het waarschijnlijk ook weinig op.
Voor het invoeren van een eenvoudige grondgebondenheidsnorm (uiterlijk in 2032) geldt hetzelfde: zolang niet duidelijk is over welke norm het gaat is er niets zinnigs over te zeggen.
Dat geldt ook voor het hele idee van doelsturing. Zolang doelen niet concreet zijn, niet zijn vastgelegd in regelgeving en niet duidelijk is hoe toezicht en handhaving daarop worden georganiseerd, kan het alle kanten op.
De vrijwillige beëindigingregeling wordt voorgezet en meer gericht op bedrijven rondom Natura 2000-gebieden. Of dat nog veel gaat opleveren is de vraag, maar het kan in ieder geval geen kwaad om zo’n regeling te hebben. Hoe de regeling voor het versneld uitfaseren van verouderde bedrijven eruit gaat zien is niet bekend. Dat kan heel eenvoudig én goedkoop via regelgeving zoals de Provincie Noord-Brabant laat zien. Het kan ook worden uitgelegd als nog eens een gift van de belastingbetaler aan vervuilende bedrijven.
Gebiedsgericht wil de coalitie een zonering gaan instellen. Dat kan een zinvolle en effectieve maatregelen zijn, maar ook hierover kan pas een oordeel worden gegeven als duidelijk is hoe die zonering eruit gaat zien. Wordt het een klein strookje van een paar honderd meten of gaat het om een ruime band van enkele kilometers? En welke doelen of verplichtingen worden in die zone opgelegd? En in hoeverre is daarbij ruimte voor maatwerk?
Een interessant zinsnede hierbij is “Om een gelijk speelveld te creëren, moeten provinciale plannen voldoen aan landelijke vereisten” (p 21). Op dit moment hebben diverse provincies als concrete stappen gemaakt richting het borgen van een vermindering van de uitstoot. Ze hebben daarvoor een eigen aanpak ontwikkeld, afgestemd op hun eigen provincie. Zuid-Holland gaat sturen via een maximale uitstoot per hectare, Gelderland kiest voor een zonering van 500 m., Noord-Brabant heeft eisen aan de maximale uitstoot van stalsystemen en Utrecht combineert een aantal van deze maatregelen. Betekent een “gelijk speelveld” dat deze provinciale aanpak wordt ondersteund en versneld, of is het juist een spaak in de wielen van deze provincies met als gevolg nieuwe vertraging? De ervaringen uit het verleden doen vrezen voor het laatste.
Verder wordt ingezet op vijf prioritaire gebieden, maar wat daar concreet gaat gebeuren wordt niet duidelijk.
Een opvallende uitspraak is dat terreinbeherende organisaties op basis van monitoring natuurherstel afdwingbaar moeten uitvoeren binnen vastgelegde hersteldoelen. Het is bekend dat die herstelmaatregelen vooral buiten de beschermde gebieden moeten worden uitgevoerd en dat het effectiever is om problemen bij de bron aan te pakken dan in te zetten op het beperken van negatieve effecten. Het was dus logischer geweest om te stellen dat grondeigenaren bron- en herstelmaatregelen afdwingbaar moeten uitvoeren. Bovendien komt de nadruk op afdwingbaar over als een vorm van wantrouwen tegenover de terreinbeherende organisaties die in de afgelopen tien jaren talloze herstelmaatregelen hebben uitgevoerd, waarvan duidelijk is dat ze niet werken zolang te weinig wordt gedaan om stikstofdepositie en verdroging fors te verminderen. Het zou interessant zijn om te weten waarom deze sneer is opgenomen in het coalitieakkoord.
Dat sector- en ketenpartijen mee gaan sturen op doelrealisatie (p. 21) klinkt zeer zorgwekkend. Ten eerste is het te verantwoordelijkheid van de overheid om te sturen, en ten tweede is het heel vreemd om partijen die grotendeels verantwoordelijk zijn voor de huidige problematiek nu een nog machtigere positie lijken te krijgen. Dat staat haaks op alle inzichten dat machtsongelijkheid juist verkleind moet worden op maatschappelijke problemen op te lossen.
Met betrekking tot natuurherstel wordt weinig concreet wat de coalitie van plan is. De tekst straalt uit dat ze niet heel ambitieus willen zijn en zich beperken tot minimale verplichtingen. Uit het verleden weten we dat van zo’n insteek weinig goeds te verwachten is. De zinsnede “We evalueren de doelen voor Natura 2000-gebieden om te zien of deze redelijkerwijs haalbaar zijn” bevestigt dat. Voor veel gebieden is een dergelijke evaluatie al uitgevoerd en die evaluaties laten zien dat er vooral meer maatregelen nodig zijn én dat voorgenomen maatregelen ook moeten worden uitgevoerd. Een vergelijkbare evaluatie op Europees niveau kwam tot dezelfde conclusie en heeft geleid tot de Natuurherstelverordening met als doel lidstaten iets meer te dwingen om de noodzakelijke maatregelen ook daadwerkelijk uit te voeren.
Tussen de regels door
Wie tussen de regels doorleest herkent het jargon van organisaties zoals LTO die al ruim twintig jaar vormgeven aan het beleid voor natuur en landbouw. Dat uit zich in termen als interimmers (bedrijven die voor 2015 zonder vergunning illegaal hebben uitgebreid en dus buiten de PAS-regeling vallen), een focus op legalisatie van PAS-melders, het vervangen van de KDW, het invoeren van een rekenkundige ondergrens, de sneren naar terreinbeherende organisaties, geneuzel over een evaluatie van haalbaarheid van doelen en veel geld naar de agrarische sector. Ook de keuze dat “de landbouw” slechts 42%-46% van de uitstoot hoeft te verminderen, terwijl de veehouderij voor het overgrote deel verantwoordelijk is voor de problemen en in andere sectoren zoals verkeer en industrie in de afgelopen jaren en decennia wel een forse vermindering van de uitstoot is gerealiseerd, is veelzeggend. Het zijn duidelijke tekens dat de teksten en voorstellen vrijwel rechtstreeks uit de koker van de agro-industrie komen[6]. En dat is al ruim twintig (en sommige zullen zeggen al veel langer) één van de grondoorzaken van het falende beleid[7].
Al met al kunnen we dus concluderen dat met betrekking tot natuur en milieu weinig nieuws te verwachten is[8] én dat met de voorgestelde inzet niet wordt voldaan aan het bevel van de Rechtbank Den Haag. De coalitie kiest, ingefluisterd door de lobbyisten van de intensieve veehouderij, opnieuw voor het afzwakken van ambities en maatregelen en het vooruitschuiven van oplossingen. Dat wordt verbloemd door het bedrag van 20 miljard, maar een groot deel daarvan is pas gereserveerd voor de jaren na de termijn van deze coalitie. Hetzelfde geldt voor alle wat meer dwingende maatregelen waarmee wordt geschermd.
Het positieve is dat verschillende provincies al een heel wat meer ambitieuze uitwerking hebben gemaakt van beleid en gebiedsplannen. De financiële middelen kunnen helpen bij een snelle en voortvarende realisatie daarvan. Als de coalitie nog een beetje ambitie wil tonen zou ze de normen en regels van bv. Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant generiek moeten gaan opleggen aan alle provincies.
Als dan ook expliciet vermeld gaat worden dat voldoen aan het vonnis van de Rechtbank Den Haag het vertrekpunt is van de aanpak en de inzet van middelen, dan is het heel goed mogelijk dat er in de komende vier jaar flinke stappen gezet gaan worden. Het is immers duidelijk wat moet gebeuren, veel partijen in en om de Natura 2000-gebieden willen aan de slag en er zijn meer dan voldoende mogelijkheden om de uitstoot van ammoniak en daarmee de stikstofdepositie binnen een paar jaar fors te verminderen.
[7] Beunen, R., & Kole, S. (2021). Institutional innovation in conservation law: Experiences from the implementation of the Birds and Habitats Directives in the Netherlands. Land Use Policy, 108, 105566. https://doi.org/10.1016/j.landusepol.2021.105566